Gebed


Goedemorgen allemaal.
De tijd is met ons aan de haal.
Dat is nu eenmaal ons bestaan,
dus ga ik er lekker tegenaan.

Goedemorgen, mooie bloemen,
uw schoonheid zal ik altijd roemen.
Nog een week, of hooguit twee,
dan gaat u met het vuilnis mee.

Goedemorgen, echtgenoot,
nu bent u nog strak en groot
en nog redelijk gezond
maar ook u wacht straks de grond.

Goedemorgen, allemaal.
De tijd is met ons aan de haal.
Dat is nu eenmaal ons bestaan,
dus ga ik er lekker tegenaan.

Goedemorgen, kindjelief.
Ach, wat ben je speels en vief
maar dat duurt slechts een paar jaar;
dan word jij ook slap en zwaar.

Goedemorgen, lijf van mij.
Kijk, er is weer een plooitje bij.
Onderhuids gloeit reeds de rot:
het vlees wordt vaal, de tanden bot.

Goedemorgen, allemaal.
De tijd is met ons aan de haal.
Dat is nu eenmaal ons bestaan,
dus ga ik er lekker tegenaan.


Zondagmiddagoverpeinzing


Ik zou me altijd willen voelen
zoals vanochtend vroeg op straat.
Ik zag twee dauwdruppels jeu de boulen,
een spin bungelde aan een draad.
De zon fluisterde op de stenen,
mijn hond liep rustig in het rond,
een bries kietelde fris mijn benen,
ik blies wolkjes met mijn open mond.

Nu is het al weer uren later,
de hond ligt vadsig in zijn mand.
In mijn hoofd ligt lui een kater
pal naast mijn cynische verstand.
Paraplu's, het is gaan gieten.
Ik wou dat het vanochtend was
maar daar waar ik stond te genieten
versnelt die jongen juist zijn pas.

Ik weet het: we vluchten vaak in dromen
en, inderdaad, het leven is een straf
maar wat de ochtend mij liet overkomen
neemt de middag mij niet af.

Ik zou me altijd willen voelen
zoals vanochtend vroeg op straat.
Ik zag twee dauwdruppels jeu de boulen,
een spin, een draad


Aan de ouwe autochtonen


Met ogen op oneindig langs het Hollands laagland turend
bespeurde hij de hartenklop van dijken en gemalen:
het water dat hem al zo vaak de vis duur liet betalen
en dat zich nimmer temmen liet; het loert en dreigt voortdurend.
Ooit maalde hij, de Hollander, het drassig landschap droog
maar de zee bleef dreigen van Goes tot Lauwersoog.

Het leven viel hem zwaar in al die woeste westenwinden.
Zijn karakter werd getekend door gejaagde wolkenluchten.
Hij wist: als ooit de dijk doorbreekt valt er niet meer te vluchten
en als een cent in het zand verdwijnt is die nooit meer vinden.
Wanneer zijn God zijn stem verhief, dan sprak Hij van de hel.
Al was Hij dan niet vriendelijk, rechtvaardig was Hij wel.

Bij alles wat hij deed kon hij de golven horen beuken.
Zijn dansen was het stramme trillen van zijn ledematen
Hij mocht niet klagen, was tevreden maar nooit uitgelaten.
Hij vree nooit zomaar met zijn vrouw, hij kon haar enkel neuken.
De Hollander, de stuurse mens, de starre dominee:
hij wist dat hij alleen bestond dankzij de zilte zee.


Op de tast


Veel van mijn voetstappen liggen voor hekken
waar resten van lakens hun dagen verdoen
en flarden van leuzen in rood of in groen
zich niet aan slijtage konden onttrekken.

Waar zekerheid was is twijfel gekomen.
Mijn kennis nam toe maar de helderheid slonk:
waar vroeger Utopia’s lokroep weerklonk
is weinig meer zeker, laat staan al die dromen

Dus heb ik me nu voorgenomen
dat ik bij bijvoorbeeld een heel mooie vrouw
heel nederig zal knielen, mijn handen dan vouw,
in stilte haar schoonheid in me laat stromen.

Religie en politiek werden het vreemde:
niet langer een schuilplaats voor angst of voor dood.
Het loon dat je krijgt als je oud wordt en groot
is weten dat wij niets meer zijn dan ontheemden.

Twijfel is één van de betere kwalen,
hij ondermijnt elke heilige strijd.
Een oproep aan ieder die er met mij aan lijdt:
laten we samen ongeneeslijk verdwalen.

Dus heb ik me nu voorgenomen
dat ik bij bijvoorbeeld een heel mooie vrouw
heel nederig zal knielen, mijn handen dan vouw
en in stilte haar schoonheid in me laat stromen


Vloeibaarheid


Het geluk zit in getallen.
Alleen een kind zoekt avontuur.
Wat niet nieuw is, is vervallen.
En wat goed is, dat is duur.
‘t Gaat om de juiste procedure
- welomschreven op papier -,
niet om tijd maar om de uren,
om het correcte formulier
Maar hoe de rivier stroomt wordt bepaald door water
Soms striemt de regen, soms geeft ze troost

Het succes dat is een keuze.
Wie in zichzelf gelooft die wint
Wijsheid teruggebracht tot leuzen
Een kreet is sterker dan een hint.
Alleen de krachtelozen zwijgen,
daarmee win je nooit een prijs
Gelijk bevecht je, valt nooit te krijgen.
Een vraag is zwakker dan een eis
Maar er schuilt gejuich in stil gefluister
En in geblèr hult zich de angst

Wie geen antwoord heeft gevonden
heeft helaas vergeefs gezocht.
Geen contract, dan niet gebonden.
Zonder doel geen goede tocht.
Winst laat zich alleen vertalen
in een mooi en rond bedrag.
Wie geen tomtom heeft zal verdwalen
en verliest al gauw een dag
Maar wie verdwaalt, vindt nieuwe wegen
En wie beton wil, vindt het moeras


Als ik groot ben


Als ik groot ben, dacht het kind
word ik, denk ik, westenwind.
Ik blaas bladeren in ’t portiek,
maak neuzen rood en mensen ziek
en de meester waai ik plat
op zijn bil. Zo, dat is dat.
En of hij dat balen vindt,
dat boeit me niet, want ik ben wind

Of ik word de baas van God
en scheld iedereen verrot.
Wie niet doet wat ik hem zeg:
een bliksemflits en hij is weg.
Wie niet luistert die krijgt straf,
ik draai gewoon zijn kop eraf
of ik verander hem in kaas.
Dat kan ik dus als God zijn baas

Tevreden viel het kind in slaap
en hij sliep toen urenlang.
Toen hij weer wakker werd
Was hij zichzelf: gewoon weer bang


Proberen #2


Ze had geschreven dat ze hem wilde ontmoeten
om half twee voor het station in het restaurant.
Ze was herkenbaar aan rood haar en aan haar sproeten
en aan de zaterdageditie van de krant.

Hij zag haar zitten, wat vertekend door de ruiten.
Ze hield van de natuur en operamuziek.
Hij dacht: 'Zal ik de parelvissers voor haar fluiten?'
Bij nader inzien leek hem dat toch niet zo chic.

Ze bloosde even toen hij vroeg 'Ben jij soms Ellen?',
gaf hem een hand en zei toen zacht 'Dan ben jij Bas'.
En terwijl hij nog twee koffie ging bestellen,
deed zij snel die rare krant weg in haar tas.

Het ging wat moeizaam, in het begin werd veel gezwegen.
'Wat moet ik zeggen?', dacht hij, 'zij is ook zo stil'.
Ze was niet knap maar toch, ze viel beslist niet tegen
en van haar sproeten zag je weinig door die bril.

Voor hij het wist vertelde hij haar zijn verleden.
Daarna kwam zij gelukkig ook een beetje los,
over wat zij en haar ex op zondag deden,
over haar passies voor patience en Jeroen Bosch.

Ze stelde voor om wat in het park te gaan lopen.
Uit beleefdheid zei hij 'ja', al wist hij dat
hij weer een hele week voor niets had zitten hopen,
omdat zij wat hij zocht totaal niet in zich had.

Bij het afscheid schoot hem vrijwel niets te binnen.
Zijn 'Nou, misschien tot ziens' klonk hard en pijnlijk lauw.
De treinreis bracht hij door met teksten te verzinnen.
Hij kwam niet verder dan 'man zoekt lieve vrouw'.


Af en toe een bui


Druppels kleven tegen ruiten
twijfelend of ze zullen vallen
als de bladeren onder bomen
die daar kleumen met z’n allen:
langzaam rottend, zorgzaam voedsel
voor wat hen ooit liet bestaan.
Kroost door ouders leeggezogen,
nageslacht tot bron vergaan.

Druppels hangen aan de wangen
van de fietser op het pad,
die gebogen zit te trappen
met slechts één gedachte: nat!
Druppels zakken in de schoenen,
nestelen zich op de huid
waar ze rustig aan verdampen
thuis doet hij zijn sokken uit.

Druppels druipen naar beneden,
verliezen zich in eigen gang
en dat waar ze uit bestonden
hangt achter hen, één druppel lang.
Dan komt de wind die hen verwaait,
alleen een streep blijft op het raam.
Lucht draagt fluitend weg met water,
gierend: herfst is mijn naam!


Het nadert


Het was er altijd wel, maar meestal niet dichtbij:
een verre oom, een uitgebluste tante.
Het raakte me niet echt, het hoorde niet bij mij,
het was voor oudjes en voor predikanten.
Natuurlijk zie je het ook vaak op het journaal
maar dan is het altijd in verre streken
en nogal anoniem, want meestal erg massaal
maar het begint me toch wel op te breken.
Want zeker eens per maand wordt nu een dag bedorven;
er wordt de laatste tijd behoorlijk veel gestorven.

Aan vrienden durf ik niet te vragen hoe het gaat;
onder hun ouders vallen harde klappen.
Maar die zijn meestal ziek en soms ten einde raad,
dan is de streep een kwestie van ontsnappen.
Daar valt mee te leven maar niet met het gevaar,
dat schuilt in advertenties in de kranten.
Steeds vaker valt mijn blik op mijn geboortejaar
boven een lijst van droevige verwanten.
Al wordt tabak en drank steeds heftiger bestreden,
toch wordt de laatste tijd nog vrij veel overleden.

Wat bloemen in een vaas, een foto aan de muur
en kinderstemmen die in tuinen klinken,
de regen op mijn hoofd, het zonlicht op de schuur,
een baby die bij moeder ligt te drinken,
de ruwe stenen van een eeuwenoude straat,
het zomeruitzicht op een laan met bomen:
alles doet me denken aan wat komen gaat
en waaraan blijkbaar niemand kan ontkomen.
Verdringen lukt niet meer, ontkennen is geen wapen.
Daarvoor wordt de laatste tijd te vaak ingeslapen.


Niets te willen


Je loopt zo zonder het te willen
op een woensdag in april
te staren naar een prachtpaar billen
en dan weet je wat je wil.
Je wilt een ruig, losbandig leven
vol van sensueel vertier
van zon en zweet en aanstoot geven
van onverantwoord veel plezier.

Je wilt een kamer op het zuiden
in een Italiaans hotel
waar het geurt naar vreemde kruiden,
zoute zee en liefdesspel.
Je wilt een hutje onder bomen
waar het zand je billen schuurt,
waar je luidkeels klaar kunt komen
zonder buren in de buurt.

Je wilt een man of vrouw of beiden
Nee, niet één, je wil er veel!
Je voelt de voor- en achterzijde
je grijpt lustig elk deel
je gaat maar door, bent niet te stoppen
nou, even rust dan maar niet lang
je voelt je zones alweer kloppen
één grote, sensuele drang

Je schrikt opeens van tramgerinkel
op die woensdag in april.
De billen vluchten in een winkel
en de tram staat knerpend stil.
De trambestuurder wil jou villen
want hij schrok, is reuzekwaad:
je hebt geen droom en niets te willen
als je op een tramrails staat.


Astor


Ze schuifelt langs de winkelpuien,
met haar tas vol oude wintertruien
Dan blijft ze staan en veegt
de regen uit haar ogen
of een traan; de tijd weegt
haar zwaar. Ze mompelt: ‘Astor’

In hun vel ingesnoerde dames,
wandelende geurreclames,
zien haar niet staan en gaan
de winkels in vanwaar muziek
naar buiten drijft en haar verwart
want in haar hart huist Astor.

De grijze man in zwart gekleed die toveren kon.
In één akkoord jubel en leed: bandoneon.

Thuis in haar steeg voedt zij haar katten.
Kroegtijgers die zich weer bezatten
schreeuwen de dag in twee
en zingen schor een lied.
Hij verdween en zij wou mee
maar mocht niet van Astor.

Een hoer vertoont zich op haar best, fluistert ‘Mi corazon’
Ergens ver klinken een orkest en een bandoneon.


Buren


Bij mij in de straat woont een echtpaar,
bedacht door een griezelauteur.
Het is medisch gezien wel aanvechtbaar
Maar ik vind ze zo leip als een deur.
Hun drie honden, bouviers en een herder,
zijn vol woede, chagrijn en geblaf.
Als ze komen loop dan maar snel verder;
voor je het weet is er iets van je af.

De man lijkt zijn honden te mennen,
loopt voorover, is altijd gehaast.
Hij schijnt me slechts vaag te herkennen
en kijkt altijd weer even verbaasd.
Zijn groet is een heel hoog gehinnik.
Dan loopt hij snel schokkend weer voort.
Ik hoor nog wat reutelend gegrinnik
dat door de kraag van zijn jas wordt gesmoord.

De vrouw heeft een kop wilde haren.
Ze rukt met sadistisch venijn
aan de riemen met wilde gebaren
als Ben Hur of een andere Romein.
Haar kijvende stem schreeuwt om orde
als de troep weer eens accelereert.
'k Ben blij dat ik geen hond ben geworden;
je wordt willoos geterroriseerd.

In hun huis zijn geen rare geluiden,
er schreeuwt niets, je hoort er geen klap.
Het ruikt er niet naar vreemde kruiden,
er klinkt geen gebonk op de trap.
Een lijk werd er nimmer gevonden
maar ik weet zeker dat ik van die vrouw,
van die man en die rottige honden
als kind grote angst hebben zou.


Stenen oase


Af en toe zie je wel wat:
een kind met uitgelaten hond
in deze stad die ontworpen is
en niet langzaamaan ontstond.

Alle huizen hebben tuinen
en elke tuin zijn eigen sfeer:
een heemtuin of namaakreiger
en vaak, zeer vaak een conifeer.

Alles groeit en bloeit voorspoedig,
Van Feng Shui–groep tot amateurtoneel.
Je hebt het hier maar voor het kiezen
en de forsythia bloeit geel.

Het mooie weer kun je hier ruiken,
de walmen wiegen door de wijk.
Geschroeid vlees, een pittig sausje;
o, wat zijn we heden rijk.

Het winkelplein is 's zondags uitgestorven.
Dan lijdt de stad aan grauwe staar.
Tieners op betonnen trappen,
vervelen zich wat met elkaar.

Ja, deze stad is echt iets anders,
Het is een steengeworden droom.
Zie je daar die vogel vliegen?
Nee, er valt een blaadje uit een boom.


Tante


Tante Annie was een dame, al op jaren, ongetrouwd.
Ze werkte heel haar leven bij de posterijen.
In de familie sprak men altijd wat meewarig over haar,
want ze had nooit met een jongen willen vrijen.
Haar haar zat altijd in een knot,
haar deurbel was altijd kapot
en koken had ze nooit goed willen leren.
Maar als zij vertellen ging
dan was ik in de Efteling;
er was niemand bij wie ik zo graag ging logeren.

Haar huis, dat rook naar lang geleden, had veel trappen en was bruin.
Het behang was oud, had grillige patronen.
Het was van opa en van oma maar toen die gestorven waren,
mocht zij er van haar broers en zusters blijven wonen.
Er was een klok met zware gong
en een kanarie die luid zong,
en wind die altijd door de bomen waaide.
Dat huis, het was een paradijs
en Tante Annie lief en grijs
als ze voor 't slapen over mijn voorhoofd aaide.

Toen ik ouder werd ging ik nog regelmatig bij haar langs
en sprak met haar over muziek en anarchisme.
Op een keer vroeg ik haar waarom zij toch nooit had willen trouwen.
Ze zei toen lachend: 'Het was een soort van feminisme.'
Nu is ze dood, het huis verkocht;
de familie vond het een gedrocht
maar mensen kunnen zich wel vaker erg vergissen.
Want nog steeds denk ik elke keer
als ik het op de fiets passeer:
'Tante Annie, ik had jou nooit willen missen.'


Afscheidsliedje


Vergeet niet voordat je verdwijnt
de bomen dag te zeggen
en je moet natuurlijk zwaaien naar de vogels in het veld,
zodat die zullen weten dat
jij werkelijk bent vertrokken.
Anders maken ze zich zorgen, want alle mensen zijn geteld.

Vergeet niet om je wangen met
rozenblaadjes te bedekken,
anders kan niemand je zien, nu je doorschijnend bent.
En zing voor alle zekerheid
ook maar je liefste liedje,
zodat je door de wolken aan de hemel wordt herkend.

En mocht je God toevallig zien,
doe hem dan maar de groeten,
pak een harp en ga ergens zitten, zoet en stil.
Maar wees ervan verzekerd
dat als ik hem ooit zal ontmoeten,
ik deze appel dolgraag grondig met hem schil.

<< terug JONGES op leeftijd Jonges op Leeftijd >> BESTEL DE CD <<

JONGES zijn het.
In de kracht van hun leven, vinden ze.
Maar de spiegel spreekt andere taal...
En hun gedachten rennen alle kanten op:
Naar vroeger, toen... Naar later, als...

En de meisjes, die prachtige meisjes,
zeggen steeds vaker 'U' tegen ze.
En dan gaan JONGES trappen.
Lol of rotzooi, dat maakt niet uit.
En ze zingen liedjes:
uitgelaten, verstilde of broeierige liedjes.
Liedjes die verleiden, raken en snijden.